Hoe spreek ik mijn collega’s aan?


Ik geef een training aan een nieuwe groep: tien mannen en twee vrouwen. Lieke komt binnen met een boze blik die ze tot de pauze zal houden. Ze gaat met haar rug naar mij toe zitten. Ik denk dat ze mij al direct fout heeft verklaard.
Als ik een training aan een nieuwe groep geef ben ik eerst vooral bezig om een beetje te kneden, te kijken of iedereen durft mee te gaan, ik laat ze kennismaken met mij en het onderwerp; ik schep een klimaat waarin geleerd kan worden.

Ik heb nog niks geleerd

Dat verdraagt zij niet: het gaat haar veel te langzaam. “Ik heb nog niks collega's aansprekengeleerd!” zegt ze tegen mij in de koffiepauze. “Als er niks verandert ga ik weg.” “Je bent natuurlijk vrij om hier te zijn of te gaan, ik beslis niet over jouw aanwezigheid. Dat is aan jou.” Ze peilt of ik dat echt meen. Ik vraag wat ze hier wil leren. Dat weet ze niet. Ze weet wel dat ze nog niets geleerd heeft.
Ik vertel haar dat ik niet meteen twaalf mensen in het eerste uur met hun individuele leervraag kan bedienen. Omdat ik bezig ben met kijken wie hier zitten, wat de dynamiek is en hoe we met elkaar aan de slag kunnen.
“Als je niet weet wat je wilt leren kan het zijn dat je de hele ochtend niks opsteekt. Je kan een leervraag hebben én je kan ook leren door wat zich aandient.”

In de tang van de boosheid

Na wat heen en weer praten zegt ze dat ze zich beter wil uitdrukken naar haar collega’s. “Hoe gaat dat dan zoal bij jou,” vraag ik. Ze zegt dat ze altijd een beetje bozig is naar haar collega’s en héél direct. “Ik zeg altijd precies waar het op staat.”

In de eerste anderhalf uur van de training had ze geen enkele collega aangesproken of iets gezegd over wat er gebeurde. En er gebeurde nogal wat. Een paar dominante mannen waren voortdurend aan het woord en hadden een mening over alles. Aan haar gezicht had ik gezien dat ze zich er groen en geel aan ergerde.
“Ik heb je niks horen zeggen tegen je collega’s. Gaat het daar soms over? Heeft je boosheid je zo in de tang dat het je niet lukt om je mannelijke collega’s ergens op aan te spreken?”
Ze valt stil. 

Een rood hoofd

“Dus het lukt niet maar je wil het wel?” Ze knikt.
Ik vraag haar wat er vanochtend gebeurde waar ze zo boos van werd.
Ze vertelt het en wordt weer boos. Ik rafel voor haar uit elkaar wat de situatie was en het gevoel dat dat bij haar opriep.
“Als dat aan elkaar geplakt is, blokkeert de boosheid de inhoud en lukt het niet om collega’s aan te spreken. Zodra het losgemaakt is, is het zegbaar.” Dat creëert opluchting, en helderheid.
Halverwege het tweede deel van de ochtend krijgt ze ineens een rood hoofd, kijkt mij aan en zegt dan tegen haar collega’s: “Ik heb tijd nodig om mijn gedachten te ordenen. Jullie gaan mij te snel. Het lukt me daardoor niet om te zeggen wat ik denk. En dat frustreert mij.”